De Parel

 

Bedenk in dit verhaal dat jij die koning bent en het land je eigen leven…

 

Er was eens een koning in een land hier niet zo heel ver vandaan. Het was een koning die open stond voor het leven en die, zoals het een goed koning betaamt, leergierig was. ‘Want,’ zo stelde de koning, ‘wie leergierig is, die groeit in het leven.’ Op een mooie dag reed de koning uit om verschillende gebieden van zijn rijk met een bezoek te vereren. Hij legde zijn oor te luister bij zijn onderdanen, zodat hij te weten kwam wat er allemaal speelde in zijn koninkrijk. Zo kreeg hij te horen dat er één gebied was dat gemeden werd door zijn onderdanen. Een gebied waar ze met een grote boog omheen gingen. In dat gebied woonde een wrede reus en iedereen die het lef had het gebied te bezoeken, werd door hem bekogeld met rotsblokken. De koning die niet alleen leergierig was, maar ook erg nieuwsgierig, besloot op onderzoek uit te gaan. ‘Een gebied in mijn rijk dat gemeden wordt, daar moet ik meer van weten!’ zei hij tegen zijn Koninklijke Garde. En zo geschiedde.

 

 

Uren, dagen, weken reisde hij en na vele omzwervingen hielden hij halt aan de rand van een donker woud. Boven dit woud staken de besneeuwde bergtoppen omhoog en hij hoorde een doordringend, monotoon en zich herhalend gedreun. Toen de koning in de verte keek, zag hij een gedaante ter grootte van zijn hand, die woest op en neer sprong en het ene na het andere rotsblok uit zijn handen door de lucht liet vliegen. De koning voelde zijn hart in zijn keel kloppen en enige tijd stond hij als aan de grond genageld naar het schouwspel te kijken, het angstzweet brak hem uit.

 

Terwijl hij om zich heen keek, zag hij dat zijn Koninklijke Garde er intussen als een haas vandoor was gegaan. Hij was helemaal alleen. Enige tijd werd de koning heen en weer geslingerd tussen twee gedachten: zich zo snel mogelijk bij zijn Koninklijke Garde voegen of zijn zwaard ter hand nemen en het woud in stormen. Na een poosje kwam de koning in beweging. Hij was behalve leergierig en nieuwsgierig tevens vastberaden. Hij liep het bos in, zijn zwaard liet hij achter bij de ingang van het woud, stap voor stap een onzeker avontuur tegemoet.

 

Na een dag stevig doorwandelen klom de koning, onder de indruk van de omvang van het donkere woud, in één van de bomen die hoog boven hem uittorende. Het doffe gedreun was nog steeds te horen, in de verte zag hij de mooie, besneeuwde bergtoppen. De reus was woedend op en neer aan het springen en de rotsblokken vlogen nog altijd in het rond. Ondanks dat de koning de hele dag door het donkere woud had gereisd, leek de reus geen centimeter dichterbij te zijn gekomen. De koning klom uit de boom en vervolgde met een zucht zijn reis. Zo gingen er een aantal dagen voorbij. Elke avond klom de koning in één van de bomen van het donkere woud, dat iedere dag wat lichter en ruimer werd. En ook de bomen waren niet meer zo hoog als de eerste dag.

 

Na verloop van tijd zag de koning vanuit de boomtop dat de bergen toch elke dag een stukje dichter bij kwamen. De reus echter bleef even groot als op de dag dat de koning hem voor het eerst had gezien. Eindelijk kwam de dag dat de koning de grens van het woud bereikte. Voor hem strekte zich een oneindig en prachtig berglandschap uit, met besneeuwde toppen en bijzondere bloemen.

 

De koning hield zijn adem in bij de aanblik van dergelijk grenzeloos mooi landschap. Het doffe gedreun was nauwelijks meer te horen, de koning keek rond om te kijken waar de reus zich bevond. Tot zijn verbazing zag hij op twee meter afstand een gedaante ter grootte van zijn hand die nog steeds woest op en neer stond te springen. De koning moest zich helemaal voorover buigen om te vragen: ‘Wie ben jij….?’”. De ‘reus’ antwoordde: “Ik ben jouw angst!”

 

Bron: onbekend